De heer Mr. J.P.H. Donner P/a Eerste Kamer der Staten-Generaal Postbus 20008 2500 EA DEN HAAG Geachte heer Donner, Met genoegen bied ik u, mede namens de VNG en de Stichting van de Arbeid, ten behoeve van uw werkzaamheden een exemplaar aan van het Beleidskader Werk en Inkomen 2002 dat de Raad voor Werk en Inkomen (RWI) onlangs, op grond van zijn wettelijke opdracht, aan de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft uitgebracht. De RWI is 1 januari 2002 in het kader van de nieuwe uitvoeringsstructuur Suwi van start gegaan als overlegorgaan van de minister van SZW. In de Raad zijn organisaties van werkgevers, werknemers én gemeenten vertegenwoordigd. Vrij vertaald stelt de Raad zich ten doel om de arbeidsmarkt zo goed mogelijk te laten functioneren. Ons streven is daarbij praktische voorstellen te ontwikkelen die op korte termijn gerealiseerd kunnen worden. Ik wil een korte duiding van het beleidskader geven bij enkele actuele thema's. Centraal in onze analyse van de arbeidsmarkt staat dat er sprake is van zowel een probleem aan de vraagzijde (teveel onvervulde vacatures) als aan de aanbodzijde (teveel mensen afhankelijk van een uitkering). De kwalitatieve problemen rondom de vacaturevervulling zijn zodanig ernstig dat van een afzwakkende economische groei geen toereikende oplossing verwacht mag worden. Aan de aanbodzijde constateert de Raad dat ondanks vele jaren van hoogconjunctuur het aantal langdurig uitkeringsgerechtigden nauwelijks gedaald is. Deze problematiek dreigt bij een matige conjuncturele ontwikkeling snel groter te worden. In het beleidskader heeft de Raad daarom voorstellen gedaan om langs een veelheid van wegen het functioneren van de arbeidsmarkt te bevorderen. Ik wil volstaan met verwijzing naar enkele van die voorstellen, waarvan bekend is dat ze in de actuele politieke discussie een rol spelen. Een belangrijke voorwaarde voor een goed functionerende arbeidsmarkt in naar het oordeel van de Raad voor Werk en Inkomen dat werk moet lonen (ten opzichte van een uitkeringssituatie). Voorstellen op dit vlak zijn vaak uiterst kostbaar. De Raad daarom twee gerichte voorstellen, die relatief weinig budget vergen maar wel erg effectief zijn voor de doelgroep waar het om gaat. Het gaat dan concreet om een aanpassing van de fiscale arbeidskorting die werkenden ontvangen en om aanpassing van de verplichte ouderbijdrage in het kader van kinderopvang. Daarnaast bepleit de Raad om de extreme overschotten in de sociale fondsen (met name het werkloosheidsfonds AWF) zodanig via premieverlaging weg te werken dat tegelijkertijd de armoedeval vermindert en werken dus lonender wordt. Een van de oorzaken van een gebrekkige aansluiting tussen vraag en aanbod op de arbeidsmarkt is dat de productiviteit van werkzoekenden (werklozen en arbeidsgehandicapten) voor de potentiële werkgever onvoldoende opweegt tegen de loonkosten. Via de fiscaliteit wordt om die reden getracht laagbetaald werk aantrekkelijker te maken voor werkgever met behulp van de zogeheten specifieke afdrachtskorting (spak). De Raad constateert dat uit een evaluatie door het Nederlands Economisch Instituut blijkt dat per saldo sprake is van een effectief instrument dat in essentie dient te worden gehandhaafd. De Raad acht toespitsing van het instrument (door een beperking van de subsidieduur tot vier jaar) of een betere afstemming van de loongrens op het maximum van de laagste CAO-loonschalen denkbare opties voor verbetering van de Spak. Daarnaast vindt de Raad dat in het arbeidsmarktbeleid een sterk(er) accent moet komen te liggen op het bieden van een effectieve, tijdelijke ondersteuning van werkzoekenden die al langer dan zes maanden aan de kant staan. Ten opzichte van het huidige beleid is volgens de Raad behoefte aan een forse vereenvoudiging en deregulering. De Raad bepleit de vorming van één nieuwe, uniforme en tijdelijke loonkostensubsidie voor de genoemde doelgroep. Werkgevers moeten snel en eenvoudig hun aanspraken kunnen verzilveren indien zij werk aan deze werkzoekenden aanbieden. Voor de overheid betekent het voorstel dat uitsluitende kosten ontstaan indien er de zekerheid is van een succesvolle plaatsing op de arbeidsmarkt. In het beleidskader wordt bijzondere aandacht gevraagd voor de reïntegratie van personen die reeds langdurig een WAO-uitkering ontvangen. De RWI bepleit om een speciale, centrale voorziening bij het UWV in het leven te roepen om personen uit deze categorie die zelf gemotiveerd zijn om te reïntegreren een laagdrempelige voorziening en bepaalde rechten op ondersteuning te bieden. Bovendien zou de huidige wet- en regelgeving aangepast dienen te worden om vrijwillige reïntegratie van betrokkenen te stimuleren. Modernisering en stroomlijning zijn voor de RWI belangrijke ijkpunten geweest voor een herbezinning op de vormgeving van gesubsidieerde arbeid. Primair hoort volgens de Raad tijdelijke ondersteuning te staan, met behulp van de hierboven geschetste nieuwe loonkostensubsidie. Indien personen ondanks voorafgaande reïntegratieinspanningen toch langdurig werkloos zijn, dan blijft volgens de Raad een noodzaak bestaan om laagbetaald werk in de collectieve sector te reserveren voor deze doelgroep. Het model dat de Raad hiervoor heeft geschetst, moet in de plaats komen van de huidige zogeheten instroom/doorstroombanen. De Raad wil deze functies (waarvan het volume de uitkomst van politieke afweging moet zijn) enerzijds volledig regulier maken voor de betrokken (voorheen) werklozen, maar anderzijds waarborgen - via financieringsvoorwaarden - dat de functies daadwerkelijk als laagbetaald werk blijven bestaan en dat ze bovendien gereserveerd blijven (indien vacatures ontstaan) voor de doelgroep zeer langdurig werklozen. Zonder de eerste financieringsvoorwaarde voorziet de Raad dat deze laagbetaalde functies kunnen verdwijnen of worden omgezet in hoger betaald werk. Dit is ongewenst omdat er al een grote discrepantie is tussen het aanbod van laagbetaald werk op de arbeidsmarkt en de grote doelgroep werkzoekenden die van eenvoudig, laagbetaald werk afhankelijk is. Zonder 'reservering'van de functies voor de doelgroep zeer langdurig werklozen vervalt niet alleen een belangrijke reïntegratieinstrument, maar dreigt bovendien een budgettair probleem omdat de huidige functies voor een groot deel gefinancierd konden worden door de zekerheid van een bespaarde werkloosheidsuitkering. Ik hoop u hiermee in het kort enkele elementen uit ons eerste beleidskader te hebben verhelderd en wens u veel succes toe bij uw werkzaamheden. Met vriendelijke groet, J. van Zijl Voorzitter Raad voor Werk en Inkomen Mr. J.H. Schraven Voorzitter werkgevers Stichting van de Arbeid L.J. de Waal Voorzitter werknemers Stichting van de Arbeid Prof. dr. J.Th. J. van den Berg Voorzitter Directieraad VNG