Dames en Heren, Het huisorgaan van de VNG vereerde onze jonge organisatie deze week met een cover-verhaal over de Raad voor Werk en Inkomen. Ongetwijfeld goed bedoeld werden we gekenschetst als de waakhond van de arbeidsmarkt. Een aardig beeld, maar ook een typering die zich niet helemaal verhoudt met het beeld dat we zelf een beetje zijn gaan koesteren. Een beeld dat beter tot uitdrukking komt in onze huisstijl en de locatiekeuze voor deze bijeenkomst. De ijverige mier in de huisstijl en een startbijeenkomst in Madurodam zijn de zelfgekozen metaforen, waar we ons meer bij thuis voelen, dan bij ‘ waakhond ’. Onze keuzen typeren een vleugje zelfspot, om duidelijk te maken dat wij ook zélf wel weten, dat het beter is om ons niet groter en interessanter voor te doen dan we zijn. Maar er zitten ook een paar serieuze kanten aan deze keuze. De mier en Madurodam staan voor kwaliteit en resultaatgerichtheid. En waar een enkele mier tot niet zoveel in staat is, weten we allemaal wat een goed georganiseerd samenwerkingsverband van deze kleine insecten tot stand kan brengen. Ook die wetenschap heeft ons geïnspireerd bij de keuze van onze huisstijl. Kortom, geen pretenties, maar wel ambities. En wie overigens niet met ons wegloopt dient zich te realiseren, dat met alle kokend water van de wereld het toch nooit helemaal lukt om je woning van alle mieren te ontdoen. Sterker, ze komen altijd in weer ongeveer gelijke getale terug.
Weinig vruchtbare discussie over het poldermodel. Wat ook altijd weer terugkomt, is de discussie over het poldermodel, die metafoor, waar sinds enige decennia de Nederlandse sociaal economische ordening mee aangeduid wordt. De laatste maanden mag ik wel zeggen weer in alle hevigheid. Ik heb die discussie met stijgende verbazing aangezien. Partijen en instanties, die zich graag afficheren als critici van het poldermodel laten niet na te benadrukken, dat het model weliswaar veel goeds heeft gebracht, en dus vooral moet blijven, maar wél moet worden ontdaan van ongewenste bijverschijnselen als stroperigheid en een onduidelijke verantwoordelijkheidsverdeling. En het aardige is nu juist dat de traditionele vertegenwoordigers van de polder eigenlijk hetzelfde zeggen. Het is wat paradoxaal, maar in feite gaat de pseudo heftige discussie óver het poldermodel op de wijze ván het poldermodel. Ik ben het grosso modo dus met alle ingezonden stukken schrijvers eens. Ik beschouw mezelf derhalve zowel criticus als pleitbezorger van wat we dan in de loop der jaren het poldermodel zijn gaan noemen. Toch bekruipt mij soms het gevoel - goed luisterend naar de meest geharnaste vijanden van het model - dat het bij hen in feite om iets anders gaat. Namelijk niet zozeer om het overlegmodel, maar om het sociaal-economisch beleid daaronder als zodanig. Daar is men dan kritisch over. Over de inrichting van onze verzorgingsstaat. Over die permanente poging om een krachtige economie dienstbaar te maken aan een sterke sociale infrastructuur. Over het streven economische belangen te verzoenen met sociale belangen. Dat is in de kern de onderliggende gedachte bij het overlegmodel. En wie, in tegenstelling tot de meest rabiate critici, dat streven serieus neemt, kan niet heen om de noodzaak van overleg en samenwer-king. Samenwerking tussen partijen, die soms uiteenlopende belangen hebben als het gaat om arbeidsmarkt en sociale zekerheid, maar daar in meer of mindere mate toch allemaal verantwoordelijkheid voor dragen. Belangen en verantwoordelijkheid. Dat zijn ook de trefwoorden onder de redengeving voor de oprichting van de Raad van Werk en Inkomen, het nieuwe samenwerkingsverband tussen sociale partners en gemeenten. De wetgever kent veel betekenis toe aan de adviezen van de Raad voor Werk en Inkomen. Ik citeer hetgeen in de SUWI-wet staat over het door de RWI te schrijven beleidskader. ‘Het beleidskader is een belangrijk richtinggevend – jaarlijks – document in de beleidsvoorbereiding en in de begrotingscyclus op het gebied van werk en inkomen. De minister van SZW voert met de Raad overleg over de gedane voorstellen in het beleidskader en wijkt van deze voorstellen alleen met redenen omkleed af.’ Ik hecht eraan te zeggen, dat wij de wetgever serieus nemen. Vanzelfsprekend! Maar dat betekent dan wel twee dingen. Namelijk, dat de partijen, die deel uitmaken van de RWI, zichzelf verplichten om de regering te bedienen met praktische en op korte termijn uitvoerbare adviezen. Maar het betekent óók een regering en parlement, die - natuurlijk met behoud van de eigen verantwoordelijkheid - die adviezen serieus neemt. Arbeidsmarktbeleid moet, maar er is een schrikbarend gebrek aan inzicht over de effecten ervan. Vertrekpunt voor de RWI is logischerwijs het bestaande arbeidsmarkt- en reïntegratiebeleid. De huidige inzet van instrumenten en middelen om vraag en aanbod bij elkaar te brengen. Om een einde te maken aan dat dubbele gezicht van de arbeidsmarkt, met veel onvervulde vacatures en nog honderdduizenden mensen aan de kant. Maar van die inzet van instrumenten en middelen moeten we natuurlijk wel weten of ze werken. Of de instrumenten aansluiten bij de problemen die zich op de arbeidsmarkt voordoen. En als de instrumenten van beleid aansluiten bij het probleem, dan nóg is het de vraag of het beleid effectief is. Draagt het beleid bij aan de gestelde doelen? De enigszins pijnlijke conclusie waar wij als eerste tegenaan gelopen zijn, is dat we dat van de meeste instrumenten niet weten en dat we dat in feite al heel lang niet weten. Wel veel opvattingen, maar weinig feiten. Er is op het terrein van het arbeidsmarkt- en reïntegratiebeleid geen systematisch inzicht verzameld in de effecten van het beleid. Werkt de sluitende aanpak, wat kost het en wat levert het op? Wat zijn de effecten van de arbeidskorting op de arbeidsdeelname? Van de zogenaamde REA-middelen is meer gebruik gemaakt dan voorzien, maar weten we ook waarom? Hoe belangrijk zijn gesubsidieerde banen voor de mensen met de grootste afstand tot de arbeidsmarkt? We vermoeden dat de Melkertbanen hebben bijgedragen aan de kwaliteit van de collectieve dienstverlening, maar we hebben er geen eensluidend beeld van. Ik denk – ik moet me gelet op het voorafgaande – voorzichtig uitdrukken, dat veel van de inzet van middelen en instrumenten hun waarde bewezen hebben en dat ook nog iedere dag doen, maar zeker weten doe ik het niet. En nog minder weet ik of die geleverde waarde opweegt tegen de gemaakte kosten. Of het netto-rendement wel groot genoeg is. De eerlijkheid gebiedt te zeggen, dat dit vele niet weten ons allemaal een beetje treurig zou moeten stemmen, want het zou in feite niet mogen. Het gaat immers om het oplossen van grote maatschappelijke vraagstukken, waar maar liefst twaalf miljard gulden (ongeveer zes miljard euro) aan publieke middelen voor beschikbaar wordt gesteld. Het geeft dan eigenlijk geen pas om onvoldoende te toetsen of die belastingmiddelen wel goed besteed worden. En overigens geen misverstand. Mijn kritische opmerkingen beogen geenszins te beweren dat de middelen niét goed besteed worden en al helemaal niet dat het derhalve wel met veel minder kan. Daarvoor zijn immers ook geen harde aanwijzingen. Bovendien zijn de problemen op de arbeidsmarkt nog bepaald niet opgelost. Veeleer wil ik u waarschuwen om zonder voldoende analyse en kennis over de effectiviteit van het huidige beleid, het hele beleid overhoop te halen. Als je onvoldoende weet wat het beleid uitricht, weet je ook niet wat je aanricht als je het al te ruig op de schop neemt. Daarom is het verstandiger om eerst goed na te gaan wat je met het beleid wilt bereiken, je doelen goed te formuleren, de in te zetten instrumenten en middelen vast te stellen en tenslotte de resultaten te beoordelen, om daarna met verbetervoorstellen te komen. Wij zullen dat als Raad van Werk en Inkomen ook in die volgorde doen en U kunt ervan verzekerd zijn, dat als de analyses daar aanleiding toe geven, de Raad niet zal schromen onorthodoxe voorstellen te doen. Ondertussen werken we al wel voortvarend aan ons eerste beleidskader. Conform wat de wet ons vraagt zal dat over de volle breedte van het terrein van werk in inkomen adviezen aan de minister bevatten, maar geheel in lijn met het voorafgaande zijn dat niet te veel "grote stappen, snel thuis’. Geen revolutie dus, maar op basis van de al wel beschikbare kennis zullen we toch in staat zijn een groot aantal naar onze smaak belangrijke aanbevelingen te doen. U zult zich kunnen voorstellen, dat ik op een dag als vandaag het liefst in zou willen gaan op die interessante aanbevelingen. Maar u zult ook begrijpen, dat midden in ons besluitvormingsproces enige terughoudendheid geboden is. Dat hoeft gelukkig niet ten aanzien van twee andere pijlers onder de Raad voor Werk en Inkomen, namelijk onze subsidieregeling en onze taken met betrekking tot de transparantie van de reïntegratiemarkt. De RWI-subsidieregeling. Zoals U weet is sinds 1 januari onze subsidieregeling van kracht. De opdracht in de wet aan de RWI op dit punt luidt – enigszins vrij vertaald - " ontwerp een subsidieregeling die uitgaat van de vraagzijde van de arbeidsmarkt en ook overigens onderscheidend is van reeds bestaande subsidiestromen". En als ik de reacties mag geloven, die ons de afgelopen weken bereikt hebben, zijn we daar behoorlijk in geslaagd. ‘Werk maken van vacatures’ is het motto van de regeling. Dat is op zichzelf al onderscheidend. Net zo belangrijk is echter een ander kenmerk, namelijk de uitdrukkelijke uitnodiging aan sociale partners en gemeenten om gezamenlijk projecten in te dienen. Maar ook een initiatief van bijvoorbeeld een groot winkelcentrum samen met een gemeente zou tot een interessante subsidie-aanvraag kunnen leiden. Maar zoals zo vaak geldt ook hier; de proof of the pudding is in the eating. Wij zijn dus zeer benieuwd naar de komende aanvragen en hopen stiekem, dat we vlugger dan voorzien door het ons ter beschikking gestelde budget heen zullen zijn. Omdat de regeling immers uitgaat van de vacatures zullen in dat geval de middelen waarschijnlijk ook effectief besteed zijn. Zonder veel meer transparantie is private reïntegratiemarkt kansloos. Effectief moet ook de nieuwe reintegratiemarkt worden. De private reïntegratiemarkt wel te verstaan. Marktwerking moet volgens de SUWI-uitgangspunten leiden tot betere reintegratieresultaten, en dat betekent uiteindelijk meer mensen aan het werk, tegen geringere kosten. Maar die marktwerking komt niet zo maar tot stand. Een eerste vereiste is, dat partijen op die markt weten wat er te koop is en hoeveel de aangeboden waar mag kosten. Wat is bijvoorbeeld een goed scholingstraject? Welke reïntegratiebedrijven bieden zo’n goed traject aan? Wat weet ik als opdrachtgever van de prestaties van de met elkaar concurrerende reïntegratiebedrijven? Kortom, waar moet ik zijn als opdrachtgever? Een ding staat vast! Zonder méér transparantie zullen deze belangrijke vragen van de opdrachtgevers, en dat zijn gemeenten, werkgevers en werknemers, maar soms ook individuele cliënten, geen bevredigend antwoord krijgen. Zonder meer transparantie komt dus ook geen marktwerking tot stand. En overigens geen misverstand, die markt is op zich zélf niet zo belangrijk, maar wel het uiteindelijke doel wat met die marktwerking bereikt moet worden. Namelijk meer mensen aan het werk en minder mensen aan de kant. Of vergaande regelgeving ten aanzien van kwaliteitseisen en certificering van reïntegratiebedrijven de verstandigste eerste stappen zijn, valt te betwijfelen, maar voor rustig af wachten hoe de ontwikkelingen zullen gaan, geldt hetzelfde. Mede daarom heeft de Raad voor Werk en Inkomen zélf het initiatief genomen om een publiek toegankelijke reïntegratiemonitor in te richten voor alle opdrachtgevers op de reïntegratiemarkt. Die monitor moet geleidelijk aan uitgroeien tot een echt benchmark instrument. Zo’n benchmark kan dan het belangrijkste instrument worden, om die broodnodige transparantie ook daadwerkelijk te realiseren. Dat betekent ook dat aan marktpartijen gevraagd mag worden meer dan een enkel steentje bij te dragen aan al hetgeen tot meer markttransparantie leidt. Ik weet overigens dat de bereidheid daartoe aanwezig is. Dat zal ook moeten, want als het niet lukt langs de weg van de benchmark en eigen initiatieven van de marktpartijen zelf, sluit ik niet uit dat nadere wet- en regelgeveing onvermijdelijk wordt. Dames en heren, Ik kom aan het slot van mijn welkomstwoordje. Ik wil de Minister en de heren de Waal, Schraven en Deetman hartelijk danken voor hun bereidheid om gezamenlijk, zoals dat in de polder betaamt, het startschot te geven voor de Raad voor Werk en Inkomen. Voorts wil ik de voorzitters en via hen alle medewerkers van de andere nieuwe SUWI-organen, zoals het UWV, het CWI, en het IWI heel veel succes toewensen. Ik besef ten volle dat deze nieuwe organisaties voor een weliswaar uitdagende, maar niet te onderschatten opgave staan. Kortom veel wijsheid en een beetje geluk is u van harte toegewenst. De minister en zijn medewerkers wens ik toe, dat wij de vruchtbare lastpak worden, die we behoren zijn. Vruchtbaar, omdat het anders geen zin heeft en een beetje lastig omdat het anders nauwelijks vruchtbaar zal worden. Echt tenslotte wens ik alle medewerkers van onze nog zeer prille organisatie toe, dat men op bruiloften en partijen met trots kan spreken over de organisatie waar men allemaal nog zo kort geleden is gaan werken. Want als men dat kan, dan zijn we geworden wat we willen zijn. Een kleine gezaghebbende organisatie, die met slimme, praktische beleidsaanbevelingen een bijdrage levert aan het beter functioneren van de arbeidsmarkt. Ik dank U voor uw komst en voor uw aandacht.