Hoogopgeleide allochtonen komen moeilijker aan het werk dan hoogopgeleide autochtonen: dat is het uitgangspunt voor dit onderzoek, gebaseerd op cijfers over werkloosheid. Maar is het ook wáár? Geldt het voor alle betrokkenen? En hoe komt dat? In de meest gebruikelijke definitie van werkloosheid zijn de allochtone respondenten in dit onderzoek (iets) vaker werkloos. Die oververtegenwoordiging is nog sterker onder de officieel werkzoekende werklozen. En nóg groter is het etnische verschil wanneer we alleen kijken naar de hoogopgeleiden die werk zoeken, ook al hebben ze een (zelfs passende) baan. Er is echter geen etnische achterstand in de mate waarin passende banen worden gevonden, wel (enigszins) in de tijd die het neemt om ze te vinden. Ten opzichte van Onverzilverd Talent I, zijn in deel II succesvolle en niet-succesvolle hoogopgeleide allochtonen en autochtonen geïnterviewd. Daaruit blijkt onder andere dat een succesvolle sollicitant pas solliciteert als hij of zij een echte kans denkt te maken op een baan. Ook zijn ervaringen van arbeidsbemiddelaars toegevoegd. Belangrijkste oorzaak van de hogere werkloosheid onder hoogopgeleide allochtone jongeren (8% t.o.v. 3% bij hoogopgeleide autochtone jongeren) is een gebrek aan ‘het steuntje in de rug’: een invloedrijk netwerk, hulp bij een kansrijke sollicitatiebrief of subtiele inwijding in sociale codes. Etniciteit speelt bij het vinden van werk een veel kleinere rol. De overstap van onderwijs naar arbeidsmarkt is lastig zonder sociaal en cultureel kapitaal. Bron: rapport + website Forum; bewerking RWI
Naar het rapport