De arbeidsparticipatie in Nederland moet omhoog. Maar hoe zit het met de vaardigheden en competenties van niet-participerenden, deeltijders en 50-plussers? Hoe boren we die arbeidsreserves aan? Demografische ontwikkelingen, met de toenemende vergrijzing voorop, dreigen de verzorgingsstaat onbetaalbaar te maken. Ook zorgen ze voor een structurele krapte op de arbeidsmarkt: minder mensen zullen meer werk moeten verrichten. Om deze ontwikkelingen tegen te gaan, is een hogere arbeidsparticipatie nodig. Juist ook van mensen die nu niet of te weinig participeren en van mensen die (te) vroeg uittreden, aldus de Commissie Arbeidsparticipatie in haar advies aan het ministerie van SZW: "Naar een toekomst die werkt"(2008). Naast kwantiteit (meer mensen aan het werk) gaat het ook om kwaliteit. Werknemers moeten continu werken aan hun kennis en vaardigheden om duurzaam inzetbaar te blijven. Ecbo analyseert in dit rapport de kennis en competenties van bovengenoemde doelgroepen. Ook hun toegang tot en deelname aan een leven lang leren wordt onderzocht. De conclusies en aanbevelingen van het rapport vormen belangrijke input voor mogelijke oplossingen van het dreigende arbeidsmarkttekort. De onderzoeksbevindingen wijzen uit dat niet-participerenden de grootste afstand tot de arbeidsmarkt hebben. Hun vaardigheden liggen flink onder het niveau van de gemiddelde werknemer. Deze groep niet-participerenden neemt ook aanzienlijk minder vaak deel aan een opleiding of cursus, al dan niet werkgerelateerd. Voor deze categorie van arbeidsreserves is vooral eenvoudig ongeschoold of laaggeschoold werk weggelegd. De tweede doelgroep, de (vaak werkende) 50-plussers, is aardig op niveau qua vaardigheden. En hun deelname aan training en werkgerelateerde cursussen is - hoewel iets minder - toch nog redelijk. Bij deze groep is er nog de nodige winst te boeken. De goudgerande uittredingsregelingen om vroegtijdig het arbeidsproces te verlaten, zijn behoorlijk ingedamd. De aow-leeftijd is inmiddels verhoogd en het is niet waarschijnlijk dat dit een eenmalige verhoging zal zijn. Langer doorwerken en langer investeren in het op peil houden van kennis en vaardigheden gaan hand in hand. Vereiste is een scholingscultuur waarin zowel werkgevers als werknemers hun verantwoordelijkheid nemen. Bij een derde doelgroep - de deeltijdwerkers - is het aanboren van hun reserves het lastigst. De groep deeltijdwerkers neemt in aantal toe, terwijl het aantal gewerkte uren per week vrij stabiel blijft; de gemiddelde werkweek van de werkende vrouw in Nederland is 24 uur. De vraag is waar de prikkel vandaan moet komen om vrouwen aan te sporen tot meer werkuren per week. Wat ECBO betreft is de overheid aan zet om voor de financiële prikkels te zorgen die nodig zijn om onze vrouwelijke arbeidsreserves aan te sporen. Bron: rapport & website ECBO; bewerking RWI
Naar het rapport