Ook voor mensen met een betaalde baan kan er sprake zijn van armoede. Het aandeel van deze werkende armen binnen de beroepsbevolking is de afgelopen tien – twintig jaar ongeveer gelijk gebleven. Omdat de beroepsbevolking gedurende deze periode is gegroeid, is het totale aantal werkende armen wel groter geworden. Binnen de groep armen met en zonder werk is het aantal mensen met een inkomen uit een uitkering gedaald, en het aantal mensen met een inkomen uit arbeid gegroeid.
Mensen met een inkomen uit arbeid lopen het kleinste risico op armoede vergeleken met zelfstandigen en met mensen met een uitkering. Mensen met een inkomen uit arbeid hebben bovendien een lager armoederisico dan gemiddeld binnen de bevolking. Werk blijft dus de beste weg uit armoede, maar is géén garantie voor een ontsnapping uit armoede.
Risicofactoren die de kans op werkende armoede vergroten, zijn:
Het risico op de combinatie van werk en armoede is verder los van bovenvermelde risicofactoren ook afhankelijk van persoonskenmerken. Zo vormen ongeschoolden of personen met alleen een lagere schoolopleiding een risicogroep. Ook is het risico enigszins afhankelijk van de sector waarin iemand werkt: zo komt in de ene sector bijvoorbeeld meer laagbetaalde deeltijdarbeid voor dan in de andere.
In februari 2011 heeft de RWI de analyse ‘Werkende armen’ gepubliceerd. Uit de analyse komt naar voren dat werkend arm zijn vaak een gevolg is van een samenloop van omstandigheden. In veel gevallen gaat het om een tijdelijke situatie. Met deze analyse hoopt de RWI beter inzichtelijk te maken wat de risicofactoren zijn waardoor mensen werkend arm worden. Een beter begrip van de veelal complexe situaties waarin deze mensen verkeren is nodig om hen te kunnen helpen hieruit te komen.