Loonwaardemeting is bedoeld om systematisch in beeld te brengen welk deel van het (reguliere) loon in een specifieke functie verdiend kan worden door een werknemer met arbeidsbeperkingen. Daardoor wordt maatwerk mogelijk bij het bepalen van de hoogte van een eventuele aanvullende uitkering aan de betreffende werknemer of van een eventuele tegemoetkoming aan de werkgever (loonkostensubsidie).
Loonwaardemeting speelt ook een belangrijke rol bij ‘loondispensatie’. Bij loondispensatie worden werkgevers ‘gedispenseerd’ (vrijgesteld) van de verplichting om minimaal het wettelijk minimumloon te betalen. Met behulp van loonwaardemeting wordt de hoogte vastgesteld van het salaris dat de werkgever moet betalen. Afhankelijk hiervan kan de werknemer van de uitkerende instantie een aanvulling krijgen op het salaris. Het te ontvangen bedrag is voor de werknemer altijd meer dan de uitkering, zodat werken loont. Het kabinet wil dit systeem invoeren in de aangekondigde Wet Werken naar Vermogen. Het is de bedoeling van het kabinet dat werkgevers loondispensatie zullen kunnen toepassen voor iedereen die (nog) niet zelfstandig in staat is om minimaal het wettelijk minimumloon te verdienen.
Op basis van het eerdere advies van de Commissie fundamentele herbezinning Wet sociale werkvoorziening heeft het vorige kabinet besloten om de komende jaren in 32 (samenwerkingsverbanden van) gemeenten een pilotproject loondispensatie uit te voeren. Hierin worden zes methoden voor loonwaardemeting gebruikt. Behalve naar de werking van loonwaardemeetmethoden wordt in de pilot ook gekeken naar arbeidsmarkteffecten, zoals verdringing. Oorspronkelijk was het de bedoeling dat op basis van de uitkomsten van dit pilotproject bepaald zou worden of, en zo ja hoe, deze systematiek landelijk zou kunnen worden ingevoerd. Het huidige kabinet heeft inmiddels met de aankondiging van de Wet Werken naar Vermogen besloten om de mogelijkheid van loondispensatie breed in te voeren. De resultaten van de pilot worden gebruikt bij de vormgeving van de nieuwe wet.
In verband met de voorbereiding van het genoemde pilotproject heeft de RWI in 2009 op verzoek van de staatssecretaris van SZW onderzoek gedaan naar methoden om loonwaarde te meten. Uit dit onderzoek, Aan de slag met loonwaarde, bleek dat de door de werknemer geleverde productiviteit met behulp van een loonwaardemethode meer systematisch en minder subjectief in beeld kan worden gebracht dan zonder een loonwaardemethode. De betrouwbaarheid van loonwaardebepaling met behulp van een methode is daardoor aanzienlijk groter dan zonder methode. Dit vergroot de kans op snelle plaatsing van een persoon met een arbeidsbeperking. Wel blijkt uit het onderzoek dat volledig objectieve loonwaardemeting niet mogelijk is. Elke onderzochte methode hanteert subjectieve beoordelingselementen. Op basis van dit onderzoek heeft de RWI het kabinet geadviseerd om vier methoden in het pilotproject te gebruiken en om ook andere methoden in te zetten die voldoen aan minimale kwaliteitseisen. Het kabinet heeft dit advies overgenomen, waardoor er - zoals gezegd - zes methoden in de pilot worden gebruikt.
Loonwaardemeting kan essentieel zijn, zowel bij de toekenning van loonkostensubsidie als van loondispensatie. Het onderwerp genereert veel aandacht in het veld van de sociale zekerheid en re-integratie. Een belangrijke onderzoeksconclusie van de RWI is dat van een uniforme definitie van loonwaarde vooralsnog geen sprake is en dat ook over de betrouwbaarheid en onderlinge vergelijkbaarheid van de verschillende meetinstrumenten nog weinig is te zeggen. De RWI vindt het belangrijk dat over deze zaken meer inzicht ontstaat en dat tot een betrouwbare loonwaardemeting kan worden gekomen.